Op 2 februari 2009 spraken Peter Vonk en Mary Post (Linde College) samen op het Velov onderwijscongres in Gent (België) over de karakterologische crisis die het onderwijs doormaakt.
Hieronder vindt u de tekst die als hand-out aan de toehoorders werd uitgereikt.
Sinds het prille begin van onze organisatie nu ruim tien jaar geleden analyseren wij (Vonk Competentie Expertise BV, Zwolle en Amsterdam, Nederland) functionarissen op alle niveaus binnen onderwijsorganisaties (zowel vanuit selectie- als mobiliteitsvraagstukken). Begin 2006 werden wij benaderd door mevrouw Mary Post van het Linde College in Wolvega. Zij stelde ons de vraag of wij wilden participeren in een project dat ten doel had de persoonlijke ontwikkeling van aankomend docenten (stagiaires) naar een hoger plan te tillen. Middels een persoonlijke competentieprofiel-analyse zouden wij de specifieke persoonlijke leerdoelen per persoon helpen vaststellen. Uiteraard gingen wij graag op deze uitdaging in.
In de eerste fase van het project werd vastgesteld welke gedragscompetenties voor docenten van cruciaal belang zijn. Dat deden wij vanuit twee vragen, namelijk: ‘Wanneer gaat het mis?’ en ‘Wanneer gaat het goed?’ Oftewel enerzijds, wat hebben docenten die het voor de klas niet redden of die het daar bijzonder moeilijk hebben met elkaar gemeen en anderzijds, welke eigenschappen hebben kennelijke ‘natuurtalenten’ met elkaar gemeen?’
We ontdekten dat drie karakterologische eigenschappen ‘met stip op één’ voor de klas zeer cruciaal zijn. Dat zijn ‘assertiviteit’ (spreek je uit: benoem grenzen en durf die te bewaken), ‘empathie’ (stel een vraag: waarom begeeft de ander zich eigenlijk buiten de grenzen) en ‘zelfkritiek’ (kijk naar jezelf: realiseer je dat alles wat er in je klas gebeurt tenminste iets met jou zelf te maken heeft). Vervolgens zijn er natuurlijk ook nog een aantal andere zaken van belang (communiceren bijvoorbeeld). Wanneer het echter schort aan één van de genoemde drie competenties blijkt dat bijna een garantie voor ellende.
In de tweede fase werd een groep van elf aankomend stagiaires geanalyseerd. De schok (bij ons) was groot toen wij tot de ontdekking kwamen dat maar liefst tien van hen (dus 90%) tenminste twee van de genoemde drie noodzakelijke competenties misten of in ieder geval niet ‘van nature’ bij zich droegen. Onze opdrachtgeefster mevrouw Post reageerde evenwel niet bijzonder verbaasd. De uitkomsten van onze analyse bevestigden slechts wat zij in de praktijk reeds duidelijk had waargenomen. Latere groepen van aankomend docenten die door ons geanalyseerd werden ook bij andere onderwijsinstellingen bevestigden het hier geschetste beeld overigens. Een logische gevolgtrekking is dat de gemiddelde aankomend docent althans van nature kennelijk niet bijster geschikt is om voor de klas plaats te nemen en/of dat het vak van docent de verkeerde mensen aantrekt.
Een op het eerste gezicht voor de hand liggende oplossing lijkt het testen van studenten voordat zij aan een lerarenopleiding beginnen. Selectie voor de poort dus. Om meerdere redenen denken wij echter dat dat geen soulaas zal bieden.
Eén probleem daarbij is namelijk dat de genoemde drie competenties sterk karakterologisch verankerd zijn en dat een simpel rekensommetje leert dat minder dan 12% van de Nederlandse beroepsbevolking deze combinatie van eigenschappen bij zich draagt. Als we die groep vervolgens nog af zouden zetten tegen andere eigenschappen (als bijvoorbeeld intelligentie op HBO-niveau, affiniteit met kinderen, vermogen tot kennisoverdracht, etc.), dan blijft minder dan 3% ‘natuurtalenten’ over.
Een ander probleem is dat deze competenties ook de top drie van benodigde eigenschappen blijken te vormen van leiders, managers, politieagenten, jeugdhulpverleners, commerciële toppers en een heleboel andere ideale schoonzoons en -dochters. Consequentie: van de mensen die eigenlijk voor de klas nodig zijn, zijn er te weinig en die mensen kunnen elders bovendien vaak veel meer geld verdienen. Wanneer lerarenopleidingen bij instroom op deze competenties zouden gaan toetsen en die ook als ‘aftestgrens’ zouden hanteren, draaien zij zichzelf de nek om. Er zouden immers gewoonweg te weinig studenten binnenkomen. Het probleem dat we hier hebben blootgelegd overstijgt ons inziens dan ook het niveau van stagiaire, school en opleidingsinstituut.
Waarom zijn juist deze competenties kennelijk zo belangrijk? Het antwoord daarop wordt vooral zichtbaar daar waar een docent deze competenties niet bezit (Wanneer gaat het mis?).
In de praktijk manifesteert zich dat op twee manieren. In de eerste plaats raak je je invloed kwijt, word je niet gehoord en soms zelfs niet meer gezien en heb je dus niets meer aan al je vakkennis. Aan het overdragen daarvan kom je immers niet eens meer toe. In de tweede plaats creëert een leerkracht die deze competenties (en dan met name de competentie assertiviteit) ontbeert ‘onveiligheid’. Er ontstaat ruimte die door veel leerlingen in eerste instantie als vrijheid en als plezierig ervaren wordt. Zij zullen dan ook hun best doen die ruimte verder op te rekken. Op een dieper niveau wordt die ruimte echter ook als onveilig beleefd omdat onduidelijk wordt ‘hoe gek we kunnen doen (of liever: een ander kan doen) voordat de leerkracht ingrijpt’. Grensoverschrijdend gedrag is zeer dikwijls een vraag om duidelijkheid over grenzen, om kaders en om basisveiligheid. Wordt die niet geboden, dan zal het grensoverschrijdend gedrag cumuleren. Dat het ervaren van veiligheid een basisvoorwaarde is voor een goede leeromgeving (rust, reinheid en regelmaat) hoeven we aan docenten doorgaans gelukkig niet uit te leggen.
Doorgaan op dit spoor gaat onherroepelijk grote schade opleveren voor het onderwijs, daarmee voor het niveau van leerlingen en studenten en daarmee voor onze veel geprezen positie in de kenniseconomie. Ons inziens zijn er vijf oplossingsrichtingen die bij voorkeur tezamen zouden moeten worden ingezet.
Tenslotte:
Het bovenbeschreven (samengevatte) verhaal vertellen wij al enige tijd aan iedereen die het horen wil en wat opvalt is dat heel veel mensen het eigenlijk liever niet willen horen. De kritiek die we krijgen kan kort en bondig worden samengevat als: ‘het verhaal is te negatief en te fatalistisch’.
Die kritiek nemen wij ons overigens wel ter harte. Wij willen ons dan ook concentreren op de oplossingsrichtingen bovengenoemd onder 3, 4 en 5. Tegelijk willen we niks afdoen aan de serieuze waarschuwing en de aanbevelingen gedaan onder 1 en 2. Daarmee richten wij ons feitelijk tot de politiek met de stelling dat er belangrijke en ingrijpende keuzes gemaakt moeten worden, willen wij een karakterologisch bankroet in het onderwijs voorkomen.
Neem contact op met Peter Vonk: info@vonkcompetentieexpertise.nl / 00 31 (0)38-4227888
en/of met Mary Post mpost@lindecollege.nl 00 31 (0)561-691700